Betekenis van:
criticus
criticus (de ~ | meervoud critici)
Zelfstandig naamwoord
- iemand die vaak kritiek heeft; iemand die erg op details let; iemand die (te) veel let op details; iemand die altijd kritiek levert; iemand die erg op de details let; iemand met kritiek
"de critici langs de zijlijn hadden alles natuurlijk al zien aankomen"
"het koor van critici"
Synoniemen
- muggezifter
- beuzelaar
- chicaneur
- criticaster
- haarklover
- kanarieneuker
- kommaneuker
- krentenweger
- miereneuker
- peuteraar
- pezewever
- pietepeuter
- pietepeuteraar
- pietjesneuker
- pietlut
- scherpslijper
- vitter
- muggenzifter
Hyperoniemen
criticus (de ~ | meervoud critici)
Zelfstandig naamwoord
- beoordelaar, recensent
"de critici de mond snoeren"
"de critici zijn enthousiast over de voorstelling"
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
criticus
Zelfstandig naamwoord
- iemand die veel kritiek levert