Betekenis van:
kriel
kriel (de ~ | meervoud krielen)
Zelfstandig naamwoord
- klein iemand; iets of iemand van klein formaat; klein aardappel; klein iemand; klein iemand; klein kind; klein iemand; opdondertje; mager persoon
Synoniemen
- onderkruiper
- kleintje
- krielhaan
- onderdeur
- onderdeurtje
- onderkruipsel
- opdonder
- opdondertje
- ukkepuk
- garnaal
- krielkip
Hyperoniemen
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- totaal nettogewicht van de geleverde hoeveelheid (brutogewicht minus vermindering, inclusief correctie voor kriel);
- Wanneer de partijen voor meer dan 50 % uit kriel bestaan, wordt een onderlinge regeling getroffen en komen die partijen niet voor de premie in aanmerking.
- Wanneer de geleverde partijen 25 % of meer aardappelen bevatten die door een krielrooster vallen met vierkante openingen waarvan elke zijde 28 mm lang is, welke aardappelen hierna „kriel” worden genoemd, wordt het nettogewicht voor de bepaling van de door het aardappelmeelbedrijf te betalen minimumprijs als volgt verminderd: