Vertaling van wassen
Inhoud:
Nederlands
Duits
rijzen, wassen {ww.}
hochgehen
sich erheben
steigen
ansteigen
hoch werden
sich erheben
steigen
ansteigen
hoch werden
wij wassen
jullie wassen
zij wassen
wir gehen hoch
ihr geht hoch
sie gehen hoch
» meer vervoegingen van hochgehen
de was doen, wassen, uitwassen {ww.}
waschen
spülen
spülen
wij wassen
jullie wassen
zij wassen
wir waschen
ihr wascht
sie waschen
» meer vervoegingen van waschen
Ik ga mijn auto wassen.
Ich werde mein Auto waschen.
Knippen, wassen en drogen alstublieft.
Schneiden, waschen und föhnen bitte.
de was doen, logen, wassen {ww.}
waschen
abbeuchen
abbeuchen
wij wassen
jullie wassen
zij wassen
wir waschen
ihr wascht
sie waschen
» meer vervoegingen van waschen
Je moet je handen wassen.
Du musst dir die Hände waschen.
Ze wou de vuile kleren wassen.
Sie wollte die verschmutzten Kleider waschen.
opgaan, opkomen, opstaan, rijzen, stijgen, verrijzen, wassen {ww.}
sich erheben
steigen
aufgehen
steigen
aufgehen
wij wassen
jullie wassen
zij wassen
wir steigen
ihr steigt
sie steigen
» meer vervoegingen van steigen
mengen, mixen, temperen, vermengen, verwarren, wassen {ww.}
mischen
mengen
mengen
wij wassen
jullie wassen
zij wassen
wir mischen
ihr mischt
sie mischen
» meer vervoegingen van mischen
gedijen, groeien, toenemen, wassen, aanwassen {ww.}
wachsen
anwachsen
gedeihen
anwachsen
gedeihen
wij wassen
jullie wassen
zij wassen
wir wachsen
ihr wachst
sie wachsen
» meer vervoegingen van wachsen
Sinaasappels groeien in warme landen.
Apfelsinen wachsen in warmen Ländern.
Planten groeien snel na regen.
Pflanzen wachsen schnell, wenn es geregnet hat.